Govly
Alle blogs
Blog

Wie mag beslissen om een offerte uit te sluiten? De Raad van State over de grenzen van de mogelijkheid tot delegatie van bevoegdheid binnen lokale besturen in het kader van overheidsopdrachten

12 oktober 2026

Wie mag beslissen om een offerte uit te sluiten? De Raad van State over de grenzen van de mogelijkheid tot delegatie van bevoegdheid binnen lokale besturen in het kader van overheidsopdrachten

Oorspronkelijk gepubliceerd door Anthony Poppe en Pieter Cnudde, Everest Law.

Lees het volledige artikel bij de bron →

Kan een diensthoofd, op grond van een (intern) delegatiebesluit, beslissen om een offerte uit te sluiten in een overheidsopdracht? In zijn arrest van 2 maart 2026 (nr. 265.863) verduidelijkt de Raad van State dat de draagwijdte van een delegatiebesluit niet onbeperkt is.

 

Context van het geschil

De Stad Gent schreef een Design & Build-opdracht uit voor het ontwerp en de bouw van een opslagloods. Na de selectiefase werden drie kandidaten uitgenodigd om een offerte in te dienen, waaronder de verzoekende partij.

 

Bij de opening van de offertes bleek dat haar offerte niet via het e-Procurementplatform was ingediend. Volgens de verzoekende partij was dit het gevolg van technische problemen met het platform, waarvan zij nog diezelfde dag melding had gemaakt.

 

Na een uitwisseling van standpunten besliste de directeur van de dienst FM Themagebouwen op 16 januari 2026 om de offerte van de verzoekende partij niet verder in aanmerking te nemen in de gunningsprocedure. Tegen die beslissing stelde de verzoekende partij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in.

 

Principiële mogelijkheid tot delegatie

Artikel 56, § 3, 4°, van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (hierrna ‘DLB’) kent de bevoegdheid voor het voeren van de plaatsingsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten toe aan het college van burgemeester en schepenen. Op grond van artikel 57 van hetzelfde decreet kan het college bepaalde bevoegdheden, waaronder de voormelde bevoegdheid, bij reglement delegeren aan de algemeen directeur, die op zijn beurt die bevoegdheden kan subdelegeren aan personeelsleden van de gemeente.

 

Voor een dergelijke delegatie gelden de volgende voorwaarden:

  • De bevoegdheid moet zoals in casu voor delegatie vatbaar zijn. Het college kan bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de algemeen directeur toevertrouwen, behalve voor de in artikel 57, tweede lid, DLB uitgesloten aangelegenheden en voor bevoegdheden die door een andere wet, een ander decreet dan het DLB of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college zijn toegewezen (art. 57, eerste en tweede lid, DLB);

  • De delegatie moet voldoende precies en beperkt zijn. Zij mag niet allesomvattend of onbeperkt zijn en moet voldoende nauwkeurig afbakenen welke bevoegdheden worden overgedragen;

  • De voorgeschreven vorm moet worden nageleefd. De delegatie door het college gebeurt bij reglement (art. 57, eerste lid, DLB). De algemeen directeur kan de gedelegeerde bevoegdheden vervolgens verder toevertrouwen aan andere personeelsleden, behoudens de in artikel 57 DLB bepaalde uitzonderingen.

  • Het delegatiereglement moet rechtsgeldig zijn bekendgemaakt en in werking zijn getreden. Reglementen van het college worden via de gemeentelijke webtoepassing bekendgemaakt (art. 286, § 1, 1°, DLB), in beginsel binnen tien dagen na aanneming (art. 287 DLB), en treden in beginsel in werking op de vijfde dag na bekendmaking (art. 288 DLB).

 

De vraag was dan ook niet óf delegatie mogelijk is, maar wel of het door de Stad ingeroepen delegatiebesluit de bestreden uitsluitingsbeslissing daadwerkelijk dekte.

 

Aangezien de bevoegdheid van de steller van een administratieve rechtshandeling de openbare orde raakt, onderzocht de Raad de wettigheid van de delegatiebeslissing ambtshalve.

 

Delegatiebesluiten moeten restrictief worden uitgelegd

De Stad beriep zich op een delegatiebesluit van 25 januari 2018. Daarin had het college van burgemeester en schepenen de bevoegdheid voor onder meer “beslissingen in de gunningsprocedure (prijsverantwoording, bijkomende info…) en begeleidende briefwisseling” gedelegeerd aan de stadssecretaris. Die bevoegdheid werd vervolgens in dezelfde bewoordingen gesubdelegeerd aan de departements- en diensthoofden. Volgens de Stad bood deze regeling een voldoende bevoegdheidsgrondslag voor de bestreden beslissing.

 

De Raad van State volgde die redenering in een onderzoek ‘op het eerste gezicht’ niet.

 

Delegatie is mogelijk, maar niet onbeperkt

Een dergelijke delegatie mag volgens de Raad immers niet allesomvattend of onbeperkt zijn. Omdat zij afwijkt van het principiële grondwettelijke delegatieverbod (artikel 33 Gw.), moet zij restrictief worden geïnterpreteerd. Het delegatiebesluit moet bovendien voldoende nauwkeurig en precies zijn, zodat niet het wezen of de totaliteit van de wettelijk toegewezen bevoegdheid wordt overgedragen. Dat blijkt ook uit de bewoordingen van artikel 57 van het Decreet Lokaal Bestuur, dat het college enkel toestaat de uitoefening van ‘bepaalde bevoegdheden’ aan de algemeen directeur toe te vertrouwen.

 

Het delegatiebesluit had een beperkte draagwijdte

Uit de tekst en de begeleidende motivering van het delegatiebesluit leidde de Raad af dat het betrekking had op aangelegenheden van dagelijks bestuur en overheidsopdrachten van beperkte waarde. Voor de stadssecretaris gold een drempel van 30.000 euro, terwijl de bevoegdheid van diensthoofden volgens de motivering tot 8.500 euro beperkt bleef.

 

Ook de bepalingen waarin geen uitdrukkelijk limietbedrag was opgenomen, moesten volgens de Raad binnen die context worden gelezen. Zij hadden betrekking op beslissingen die doorgaans een loutere toepassing van de opdrachtdocumenten of de uitvoeringsbepalingen inhielden en slechts een geringe appreciatiemarge vereisten.

 

De betrokken Design & Build-opdracht bereikte daarentegen de Europese drempels en overschreed de in het delegatiebesluit vermelde bedragen ver. De Stad maakte evenmin aannemelijk dat de beslissing binnen het dagelijks bestuur kon worden gekaderd.

 

De delegatie dekte niet zonder meer een uitsluitingsbeslissing

De algemene verwijzing naar “beslissingen in de gunningsprocedure” volstond volgens de Raad dan ook niet om ook de bestreden uitsluitingsbeslissing onder de delegatie te brengen. De voorbeelden die in het delegatiebesluit zelf worden genoemd zoals het opvragen van een prijsverantwoording of van bijkomende informatie, wijzen veeleer op voorbereidende handelingen met een beperkte appreciatiemarge.

 

De bestreden beslissing had een wezenlijk andere draagwijdte. Door de offerte niet verder in aanmerking te nemen, werd de verzoekende partij definitief uit het verdere verloop van de gunningsprocedure geweerd en verloor zij iedere kans op de opdracht. Ook de Stad erkende dat het om een aanvechtbare voorbeslissing ging die de rechtspositie van de verzoekende partij rechtstreeks en definitief bepaalde.

 

Bovendien bleek uit de voorafgaande briefwisseling dat tussen de partijen een duidelijk verschil van inzicht bestond en vermeldde de bestreden beslissing zelf dat intern overleg noodzakelijk was geweest. De beslissing kon dan ook niet worden beschouwd als een eenvoudige administratieve handeling die slechts een geringe appreciatie vergde.

 

Een ruimere lezing zou tot een algemene delegatie leiden

Indien de formulering “beslissingen in de gunningsprocedure” zo ruim zou worden uitgelegd dat ieder departements- of diensthoofd voor om het even welke overheidsopdracht beslissingen met verstrekkende rechtsgevolgen kan nemen, zou volgens de Raad sprake zijn van een algemene en onbeperkte delegatie. Een dergelijke delegatie leek hem op het eerste gezicht onwettig en vond bovendien geen steun in de tekst, de geest of de motivering van het delegatiebesluit.

 

Besluit

De Raad van State besloot dus dat niet was aangetoond dat de bestreden beslissing door het bevoegde orgaan was genomen.

 

Uit delegatiereglementen moet voldoende precies blijken welke beslissingen, binnen welke grenzen en door welke personeelsleden mogen worden genomen. Daarbij kunnen onder meer de waarde en de aard van de opdracht, de vereiste appreciatiemarge en de rechtsgevolgen van de beslissing van belang zijn.

 

Bij beslissingen met verstrekkende gevolgen, zoals het definitief weren van een offerte uit de verdere plaatsingsprocedure, moet daarom vooraf worden nagegaan of de delegatie deze concrete beslissing daadwerkelijk dekt.

 

Ook de geldige bekendmaking van het reglement en de hoedanigheid van de ondertekenaar moeten kunnen worden aangetoond.

 

Bij twijfel laat men de beslissing het best nemen door het wettelijk/decretaal bevoegde bestuursorgaan.